Er zijn dingen die moeten en dingen waarvoor je gevraagd wordt - en waarbij je eigenlijk geen nee kunt zeggen. Ieder jaar is er een kennismakingsdag voor ouders van eerstejaarsstudenten, geroganiseerd door de StudentenGroep Sociale Wetenschappen (SGS). Die ouders kunnen dan de sfeer proeven op de faculteit. Ze krijgen een toespraakje van de decaan en een studentbestuurslid, wonen een college bij, nemen deel aan een werkgroep, en worden tussendoor en na afloop gevoed en gelaafd. Ook is er een 'verrassingsquiz'.
Ja, waarom moet zoiets eigenlijk, vraag je je als oudere docent af: in onze tijd probeerden we onze ouders zo ver mogelijk uit de buurt van ons studentenleven te houden. Pottenkijkers niet gewenst, maar de SGS heeft een heuse Ouderdagcommissie 'om voor u een overgetelijke dag op de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht te organiseren'. Eigenlijk toch wel weer aardig van ze, en het is dan wel heel flauw om hier als docent je neus voor op te halen, voorals als je bedenkt dat die ouders ook hun vrije tijd opofferen om in de facultaire keuken te komen kijken.
Wie zijn die ouders? Voor het merendeel mensen die in de dienst- en zorgverlenende sector werken, zo was mijn indruk bij de voorstelrondjes. Relatief weinig academici ook, maar dat is ongetwijfeld een selectie-effect: wie zelf gestudeerd heeft weet wel hoe het er op een universiteit aan toe gaat. Voor de eerste groep had ik het 'Grunberg-experiment' als casus genomen: Arnon Grunberg zit met een elektronische badmuts op aan een roman te werken. Leren de variaties in zijn hersenprocessen ons iets over zijn creativiteit? Een deel van de ouders meende dat als er 'neuro' aan te pas kwam het wel in orde zou zijn. Anderen waren sceptischer: 'wie betaalt dit onderzoek eigenlijk?' en: 'Is zo'n onderzoek zonder hypothese en bij één persoon eigenlijk wel wetenschappelijk?' Het werd een interessante discussie. Van de cartoon van Jos Collignon hierover had niemand terug.
Bij de tweede groep ging het over burnout: wat is het, hoe komt het, wat kun je eraan doen, en vooral: hoe kun je het te voorkomen? Al heen en weer kaatsend met de groep kon ik uiteindelijk een profiel op het bord zetten: geen psychiatrische ziekte, maar een arbeidsgerelateerde psychische ontregeling die gepaard gaat met chronische vermoeidheid, cynisme over het werk en een sterk afgenomen zelfvertrouwen. Hoewel persoonsgebonden factoren (perfectionisme) een rol spelen, hebben de cultuur op de werkvloer en de kwaliteit van de leidinggevenden meer invloed. Als het halen van targets belangrijker is dan het op peil houden van je human resources blijft het dweilen met de kraan open. Met cognitieve gedragstherapie kom je een heel eind, al is het resultaat soms onverwacht:
Ik vond het een leerzame en aangename interactie. Als de studenten op hun ouders lijken - wat betreft interesse en participatie - komt het wel goed met ze...
dinsdag 1 april 2014
donderdag 27 maart 2014
De waarde van wetenschap
Waarin onderscheidt een universiteit zich van een onderzoeksinstituut? Die vraag is steeds moeilijker te beantwoorden. Laten we voorlopig even vasthouden dat bezinning en reflectie op het eigen functioneren een typerend kenmerk is van de academische cultuur. Gisteren vond aan de Faculteit Sociale Wetenschappen in Utrecht een 'Valorisatieparade' plaats, die precies dat tot doel had. Valorisatie is zoveel als: de maatschappelijke waarde van je wetenschappelijke werk zien laten of, in de woorden van het Rathenau-Instituut: hoe je 'met jouw onderzoek een bijdrage kunt leveren aan de samenleving'.
Het gaat bij valorisatie dus om onderzoek. En het gaat ook om de financiering van onderzoek: 'Een stevige maatschappelijke positionering van je onderzoek biedt ook kansen op de oververhitte markt voor onderzoeksfinanciering.' En daar ging het dan ook over: de maatschappelijke positionering van onderzoek. Op zich niks mis mee, maar tijdens de workshops die ik bijwoonde rezen bij mij (en anderen) toch een paar vragen.
In 'Hoe selecteert een krant onderzoeksnieuws?' ging het vooral over het aantrekkelijk presenteren van je onderzoeksresultaten: 'Kies een pakkende titel', 'Vermijd jargon', 'Zorg voor illustraties' en 'Vertel het aan je oma'. Dat aantrekkelijk presenteren is niet bedoeld voor de krantenlezers, maar voor de journalist. Die moet 'aanslaan' op waar jij mee komt. Als je onderzoek doet naar cognitieve strategieën bij kinderen om routes te onthouden, moet je het 'framen' als 'Vanaf welke leeftijd kan mijn kind zelfstandig naar school fietsen' (ook al geeft je onderzoek helemaal geen antwoord op die vraag). Opvallend was ook de lage dunk die de journaliste, Iris Pronk, had van de communicatieafdelingen van universiteiten: op een handout had ze een paar - inderdaad afgrijselijke - persberichten ter illustratie gekopieerd.
In de workshop 'Analytic Storytelling' bood Stijn Cornelissen een heldere strategie aan om onderzoeksresultaten voor leken bevattelijk te maken: begin met wat algemeen geaccepteerde feiten rond je onderwerp, laat dan zien dat er zwaar weer op komst is als er niets gebeurt, formuleer daarover een onderzoeksvraag en presenteer vervolgens jouw onderzoeksuitkomsten als een mogelijke remedie voor het probleem. Dat de logica van de presentatie afwijkt van die van het onderzoek bleek al snel: veel universitair onderzoek wordt opgezet vanuit wetenschapsinterne vragen (en met wetenschapsinterne doelen). Er is dus eerst een onderzoeksvraag en een onderzoeksantwoord, en de kunst is dan daarbij een passende maatschappelijke probleemsituatie te vinden. Is het eigenlijk niet beter bij het opzetten van je onderzoek direct met de maatschappelijke relevantie rekening te houden?
Daarover werd verschillend gedacht. Beate Volker (sociologie) en Marcel van den Hout (klinische psychologie) verklaarden eensgezind dat het bij wetenschap ging om het opsporen van fundamentele mechanismen, dat wetenschap waardenvrij moest zijn en dat het formuleren en oplossen van maatschappelijke problemen een zaak van de politiek was. Valorisatie is dan meer een kwestie van goede communicatie. Loes Keijsers, gepromoveerd onderzoekster maar ook auteur van het populairwetenschappelijke boek 'Waarom tieners zo irritant kunnen zijn', vond juist dat haar onderzoeksvragen (en publicaties) er beter op werden nu ze door haar boek meer in contact met ouders kwam.
De cruciale vraag voor de sociale wetenschappen is dus: kiezen we voor fundamenteel onderzoek met een goede communicatieafdeling of laten we ons in onze onderzoeksvragen van meet af aan leiden door maatschappelijk relevante doelen? Eerlijk gezegd lijkt het laatste me op den duur onvermijdelijk. Het publiek verwacht van sociale wetenschappers toch inzichten die zowel superieur als nuttig zijn. Alleen het eerste is niet genoeg voor het behoud van geloofwaardigheid.
Wat me tijdens de hele parade bleef bezighouden is de vraag: hoe zit het met het universitaire onderwijs? Er werd met geen woord over gesproken. Valorisatie stond in de 'parade' echt ten dienste van het onderzoek. Toch valt goed te verdedigen dat het universitaire onderwijs de belangrijkste vorm van kennisvalorisatie is die de academie te bieden heeft. Het is zelfs haar unique selling point...
Het gaat bij valorisatie dus om onderzoek. En het gaat ook om de financiering van onderzoek: 'Een stevige maatschappelijke positionering van je onderzoek biedt ook kansen op de oververhitte markt voor onderzoeksfinanciering.' En daar ging het dan ook over: de maatschappelijke positionering van onderzoek. Op zich niks mis mee, maar tijdens de workshops die ik bijwoonde rezen bij mij (en anderen) toch een paar vragen.
![]() |
| Iris Pronk |
In 'Hoe selecteert een krant onderzoeksnieuws?' ging het vooral over het aantrekkelijk presenteren van je onderzoeksresultaten: 'Kies een pakkende titel', 'Vermijd jargon', 'Zorg voor illustraties' en 'Vertel het aan je oma'. Dat aantrekkelijk presenteren is niet bedoeld voor de krantenlezers, maar voor de journalist. Die moet 'aanslaan' op waar jij mee komt. Als je onderzoek doet naar cognitieve strategieën bij kinderen om routes te onthouden, moet je het 'framen' als 'Vanaf welke leeftijd kan mijn kind zelfstandig naar school fietsen' (ook al geeft je onderzoek helemaal geen antwoord op die vraag). Opvallend was ook de lage dunk die de journaliste, Iris Pronk, had van de communicatieafdelingen van universiteiten: op een handout had ze een paar - inderdaad afgrijselijke - persberichten ter illustratie gekopieerd.
![]() |
| Stijn Cornelissen |
In de workshop 'Analytic Storytelling' bood Stijn Cornelissen een heldere strategie aan om onderzoeksresultaten voor leken bevattelijk te maken: begin met wat algemeen geaccepteerde feiten rond je onderwerp, laat dan zien dat er zwaar weer op komst is als er niets gebeurt, formuleer daarover een onderzoeksvraag en presenteer vervolgens jouw onderzoeksuitkomsten als een mogelijke remedie voor het probleem. Dat de logica van de presentatie afwijkt van die van het onderzoek bleek al snel: veel universitair onderzoek wordt opgezet vanuit wetenschapsinterne vragen (en met wetenschapsinterne doelen). Er is dus eerst een onderzoeksvraag en een onderzoeksantwoord, en de kunst is dan daarbij een passende maatschappelijke probleemsituatie te vinden. Is het eigenlijk niet beter bij het opzetten van je onderzoek direct met de maatschappelijke relevantie rekening te houden?
![]() |
| Beate Volker |
![]() |
| Marcel van den Hout |
Daarover werd verschillend gedacht. Beate Volker (sociologie) en Marcel van den Hout (klinische psychologie) verklaarden eensgezind dat het bij wetenschap ging om het opsporen van fundamentele mechanismen, dat wetenschap waardenvrij moest zijn en dat het formuleren en oplossen van maatschappelijke problemen een zaak van de politiek was. Valorisatie is dan meer een kwestie van goede communicatie. Loes Keijsers, gepromoveerd onderzoekster maar ook auteur van het populairwetenschappelijke boek 'Waarom tieners zo irritant kunnen zijn', vond juist dat haar onderzoeksvragen (en publicaties) er beter op werden nu ze door haar boek meer in contact met ouders kwam.
![]() |
| Loes Keijsers |
Wat me tijdens de hele parade bleef bezighouden is de vraag: hoe zit het met het universitaire onderwijs? Er werd met geen woord over gesproken. Valorisatie stond in de 'parade' echt ten dienste van het onderzoek. Toch valt goed te verdedigen dat het universitaire onderwijs de belangrijkste vorm van kennisvalorisatie is die de academie te bieden heeft. Het is zelfs haar unique selling point...
woensdag 12 februari 2014
Schrijven is denken
Onlangs ging, voor het 17de seizoen, aan de
Universiteit Utrecht de cursus Wetenschapsfilosofie
van start. De oorsprong hiervan lag medio jaren negentig in een initiatief
van André Klukhuhn (toenmalig hoofd Studium Generale aan de UU) en de sociaalwetenschapper
en wetenschapsfilosoof Jan Kooistra. De cursus en de samenwerking met Studium Generale hebben zich
door de jaren heen bewezen. Ieder jaar weer is de belangstelling zo groot dat
de Aula van het Academiegebouw wekelijks overvol is.
![]() |
| André Klukhuhn |
![]() |
| Jan Kooistra |
Het doel van de cursus is om het nadenken over wetenschap te
bevorderen. Ieder jaar kiezen we daarvoor een ander thema, zoals ‘De vrolijke
wetenschap’, ‘Verbeelding van de wetenschap’, ’Weten en geweten’, ‘Information
overload’, ‘De zwerm’, ‘Op ’t randje’ en dit jaar: ‘Creativiteit’. Ieder jaar
nodigen we een achttal deskundige sprekers uit, die vanuit hun vakgebied het
jaarthema belichten. Studenten krijgen de opdracht wekelijks een column over
het gebodene te schrijven, en het resultaat van hun denken scherp en beknopt op
papier te zetten. De vorm is speels, maar de inhoud serieus. Aan het slot schrijven
studenten een volwaardig essay op academisch niveau.
Om de deelnemers op het juiste been te zetten heb ik
afgelopen maandag een kleine tour d’horizon gemaakt door de
wetenschapsfilosofie, met een koppeling aan het thema ‘creativiteit’, en aan
het slot een aantal gedachten over literair en wetenschappelijk schrijven en de
relatie tussen schrijven en denken, uitmondend in een aantal tips voor het
schrijven van wetenschapsfilosofische columns en essays. De dia’s van de
presentatie vind je hier.
De lezingen van deze cursus zijn terug te zien via de
website van Studium Generale. Informatie over de cursus kun je vinden op de
website van de cursus Wetenschapsfilosofie.
vrijdag 25 oktober 2013
Onverteerde kennis
Universiteiten zijn van oudsher onderwijsinstituten. Studenten worden er opgeleid om op academisch niveau een maatschappelijk gewaardeerd beroep - arts, jurist, leraar, etc. - uit te kunnen oefenen. Het verschil met de 'hogere vakscholen' (zeg: HBO-opleidingen) is altijd geweest dat aan de universiteiten ook onderzoek wordt gedaan en dat studenten er een persoonlijke algemene vorming ('Bildung') krijgen, die breder en dieper is dan de specialistische vakkennis die aan de hogere beroepsopleidingen wordt verworven. Deze verbreding en verdieping van de universitaire opleidingen is zo'n twee eeuwen geleden in het leven geroepen door Wilhelm von Humboldt.
In de afgelopen vijftig jaar is die algemene academische vorming aan de universiteiten steeds meer onder druk komen te staan, door de sterk toegenomen specialisering en de neiging om vooral vakkennis over te dragen. Universitaire opleidingen zijn schoolser geworden en academische vorming wordt gezien als iets uit het verleden (of voor de vrije tijd). Het gaat om kennisoverdracht, in de vorm van hapklare brokken, die bij het ontbreken van een persoonlijk integratief kader 'onverteerd in de buik rammelen' (de uitdrukking is van Max Scheler).
Een goed academicus is tegenwoordig in de eerste plaats een onderzoeker, iemand die de wetenschap verder wil brengen. Dat was de boodschap van Werner Raub, socioloog en decaan sociale wetenschappen aan de Universiteit Utrecht, op 23 oktober 2013 voor de honoursstudenten sociale wetenschappen - het Von Humboldt (!) College. 'Goede sociale wetenschap is in de kern toepassing van de methodologische spelregels van Popper, Lakatos etc.' Hij is blij dat tegenwoordig minder gediscussieerd wordt over grondslagen van de sociologie, en dat zelf onderzoek doen nu voorop staat. Dat vergroot de kans om te kunnen meedoen met de internationale competitie in je vakgebied.
De universiteiten zijn er dan in de eerste plaats voor fundamenteel, empirisch onderzoek. Studenten moeten belangrijke generieke 'tools ' meenemen uit hun opleiding: methoden en statistiek, en ook 'een cursus logica of wiskunde is niet verkeerd', aldus Raub. Over reflectie en algemene vorming geen woord - dat leidt maar af van het echte werk. Zouden aldus opgeleide studenten werkelijk succesvolle sociale wetenschappers worden? Misschien wel in eigen kring, binnen de internationale onderzoeksgemeenschap. Op de sociale actoren die zij bestuderen, de gewone burgers, zullen zij weinig indruk maken. Die verwachten van sociaal wetenschappers in de eerste plaats praktische wijsheid, gebaseerd op concrete en precieze kennis van de maatschappelijke context en op grondig verwerkte inzichten uit hun academische studie. Geen onverteerde kennis dus of nodeloos abstracte en ingewikkelde theorieën over alledaagse zaken.
In de afgelopen vijftig jaar is die algemene academische vorming aan de universiteiten steeds meer onder druk komen te staan, door de sterk toegenomen specialisering en de neiging om vooral vakkennis over te dragen. Universitaire opleidingen zijn schoolser geworden en academische vorming wordt gezien als iets uit het verleden (of voor de vrije tijd). Het gaat om kennisoverdracht, in de vorm van hapklare brokken, die bij het ontbreken van een persoonlijk integratief kader 'onverteerd in de buik rammelen' (de uitdrukking is van Max Scheler).
Een goed academicus is tegenwoordig in de eerste plaats een onderzoeker, iemand die de wetenschap verder wil brengen. Dat was de boodschap van Werner Raub, socioloog en decaan sociale wetenschappen aan de Universiteit Utrecht, op 23 oktober 2013 voor de honoursstudenten sociale wetenschappen - het Von Humboldt (!) College. 'Goede sociale wetenschap is in de kern toepassing van de methodologische spelregels van Popper, Lakatos etc.' Hij is blij dat tegenwoordig minder gediscussieerd wordt over grondslagen van de sociologie, en dat zelf onderzoek doen nu voorop staat. Dat vergroot de kans om te kunnen meedoen met de internationale competitie in je vakgebied.
De universiteiten zijn er dan in de eerste plaats voor fundamenteel, empirisch onderzoek. Studenten moeten belangrijke generieke 'tools ' meenemen uit hun opleiding: methoden en statistiek, en ook 'een cursus logica of wiskunde is niet verkeerd', aldus Raub. Over reflectie en algemene vorming geen woord - dat leidt maar af van het echte werk. Zouden aldus opgeleide studenten werkelijk succesvolle sociale wetenschappers worden? Misschien wel in eigen kring, binnen de internationale onderzoeksgemeenschap. Op de sociale actoren die zij bestuderen, de gewone burgers, zullen zij weinig indruk maken. Die verwachten van sociaal wetenschappers in de eerste plaats praktische wijsheid, gebaseerd op concrete en precieze kennis van de maatschappelijke context en op grondig verwerkte inzichten uit hun academische studie. Geen onverteerde kennis dus of nodeloos abstracte en ingewikkelde theorieën over alledaagse zaken.
woensdag 4 september 2013
Tien jaar Over de grenzen van disciplines
Vandaag begon de cursus Over de grenzen van disciplines aan zijn tiende jaar, in een overvolle (en veel te warme) zaal achterin het Ruppertgebouw. Wat vinden studenten na één jaar ASW van hun studie, was een van mijn vragen. Een studente vond de studie 'erg wetenschappelijk'. Bij navraag bedoelde ze: het is leuk dat je al in het eerste jaar onderzoekjes doet. Een andere studente vond het prettig om kennis uit verschillende sociale wetenschappen voorgeschoteld te krijgen, waarop een ander reageerde met: 'je moet dan wel je inspannen om de zaken met elkaar te verbinden, en de samenhang te zoeken'. Een derde studente (ja, de heren waren nogal stilletjes vandaag) was het opgevallen hoezeer disciplines in beweging zijn, in plaats van - wat je zou denken - dat ze voorgegeven en vastliggende eenheden vormen.
Ik heb uitgelegd dat het bij ASW niet zomaar gaat om interdisciplinariteit als een soort kunstje, of als een poging om superieur te doen tegenover de disciplines. Het is vooral een poging om greep te krijgen om de complexe, sociale werkelijkheid. De vragen en problemen die zich daarin voordoen zijn vanzelf al interdisciplinair: er is geen menselijk probleem te bedenken dat niet een beroep doet op de denkkracht van verschillende disciplines.
De sociale wetenschappen vormen misschien wel het spannendste gebied in de wetenschappen: sociaalwetenschappers onderzoeken hun medemensen, maar die laten zich niet alles wijsmaken. Van deze wetenschappers worden dus extra inspanningen verwacht om de geloofwaardigheid van hun vakgebied op peil te houden. Het is dan buitengewoon pijnlijk als een collega roet in het eten gooit, door de zaak te belazeren. De publieke reactie op de fraude van de sociaalpsycholoog Diederik Stapel illustreert het gemak waarmee tot dan toe gerespecteerde tradities in de sociale wetenschappen een diepe val kunnen maken - en het hele gammacontinent heeft daar last van.
De affaire vraagt om bezinning op de toestand van de sociale wetenschappen. Ik heb daartoe in mijn boek De publicatiefabriek (2013) een poging gewaagd. Een aantal centrale thema's uit hoofdstuk 10 van Over de grenzen van disciplines worden daar aan de hand van de casus 'Stapel' geïllustreerd en toegelicht. Het boek heeft ook een eigen weblog, klik hier
Ik heb uitgelegd dat het bij ASW niet zomaar gaat om interdisciplinariteit als een soort kunstje, of als een poging om superieur te doen tegenover de disciplines. Het is vooral een poging om greep te krijgen om de complexe, sociale werkelijkheid. De vragen en problemen die zich daarin voordoen zijn vanzelf al interdisciplinair: er is geen menselijk probleem te bedenken dat niet een beroep doet op de denkkracht van verschillende disciplines.
De sociale wetenschappen vormen misschien wel het spannendste gebied in de wetenschappen: sociaalwetenschappers onderzoeken hun medemensen, maar die laten zich niet alles wijsmaken. Van deze wetenschappers worden dus extra inspanningen verwacht om de geloofwaardigheid van hun vakgebied op peil te houden. Het is dan buitengewoon pijnlijk als een collega roet in het eten gooit, door de zaak te belazeren. De publieke reactie op de fraude van de sociaalpsycholoog Diederik Stapel illustreert het gemak waarmee tot dan toe gerespecteerde tradities in de sociale wetenschappen een diepe val kunnen maken - en het hele gammacontinent heeft daar last van.
De affaire vraagt om bezinning op de toestand van de sociale wetenschappen. Ik heb daartoe in mijn boek De publicatiefabriek (2013) een poging gewaagd. Een aantal centrale thema's uit hoofdstuk 10 van Over de grenzen van disciplines worden daar aan de hand van de casus 'Stapel' geïllustreerd en toegelicht. Het boek heeft ook een eigen weblog, klik hier
zaterdag 18 mei 2013
De publicatiefabriek
Op 30 mei verschijnt mijn boek over de betekenis van de affaire-Stapel. Het heeft een eigen weblog gekregen, dat net als het boek 'De publicatiefabriek' heet. Ik wil er de actualiteit van het wel en wee aan de universiteiten bijhouden, in het bijzonder waar het de sociale wetenschappen betreft. Hun reputatie heeft door de fraude van Stapel een flinke deuk opgelopen, maar dat is niet in alle opzichten terecht. Tegelijkertijd staan de sociale wetenschappen wel voor de opgave hun sociale reputatie te verbeteren - niet door het inschakelen van communicatie-adviseurs, maar door het vergroten van hun relevantie. Making social science matter, is het devies.
Met De publicatiefabriek heb ik geprobeerd een diagnose te stellen die strategieverbetering mogelijk maakt, en in die zin is het een vervolg op Over de grenzen van disciplines. Op de site van De publicatiefabriek staan foto's, reacties en links naar radio- en tv-optredens, maar ook mijn commentaar op recente ontwikkelingen en discussies over fraude en integriteit.. Neem eens een kijkje, en reageer! Nogmaals de link: http://depublicatiefabriek.blogspot.nl/
Met De publicatiefabriek heb ik geprobeerd een diagnose te stellen die strategieverbetering mogelijk maakt, en in die zin is het een vervolg op Over de grenzen van disciplines. Op de site van De publicatiefabriek staan foto's, reacties en links naar radio- en tv-optredens, maar ook mijn commentaar op recente ontwikkelingen en discussies over fraude en integriteit.. Neem eens een kijkje, en reageer! Nogmaals de link: http://depublicatiefabriek.blogspot.nl/
vrijdag 10 mei 2013
Verder kijken dan een neus lang
Onder die titel verscheen in het meinummer van De Psycholoog een recensie van Over de grenzen van disciplines (klik hier voor de lange versie van deze recensie). De bespreking werd geschreven door de psycholoog Nico Metaal, die ooit tekende voor het veelomvattende boek Psychologie: De stand van zaken. Metaal constateert dat binnen de opleidingen sociale wetenschappen de aandacht voor reflectie over fundamentele vraagstukken is geminimaliseerd: 'De meeste docenten zijn er niet meer voor geëquipeerd, en de meeste studenten zijn er niet in geïnteresseerd.' Hij verwelkomt Over de grenzen van disciplines als 'een boek tegen de tijdgeest in'. Tegelijkertijd zijn er redenen om niet vrolijk te worden van het boek, aldus Metaal: 'Dat ligt niet aan de auteur, maar aan de onmacht van de sociale wetenschappers' - onmacht om vooruitgang te bewerkstelligen ten aanzien van de centrale vraagstukken van de sociale wetenschappen (methodologie, wetenschap en praktijk, en het doorbreken van disciplinegrenzen).De voornaamste kritiek van Metaal geldt de hoge informatiedichtheid van het boek. Die vraagt veel van de lezer en leidt soms tot duizelingen. Per saldo oordeelt Metaal echter positief: 'Abma heeft een geloofwaardig, boeiend en prettig leesbaar betoog geschreven over kwesties die verder gaan dan de neus van de doorsnee sociale wetenschapper lang is. Hij problematiseert, brengt nuances aan, poneert zijn mening, en lokt impliciet de lezer uit om het desgewenst met hem oneens te zijn.' De gemiddelde sociale wetenschapper zal het misschien een zorg zijn wat er buiten de eigen discipline gebeurt zolang hij of zij daarbinnen erkenning vindt maar, zo schrijft Metaal, dat laat onverlet dat 'studenten, wetenschappers en vakbeoefenaren die de vorming tot intellectueel van weleer hebben moeten missen, met dit boek een stimulerend begin kunnen maken zich in de breedte en de diepte bij te spijkeren'.
Wat mij betreft is dit de spijker op de kop: achter Over de grenzen van disciplines gaat een buitengewoon rijke internationale literatuur schuil over de geschiedenis van en de huidige stand van zaken in de sociale wetenschappen (zie de uitgebreide bibliografische notitie in het boek). Het boek is dus eerder een aansporing tot verder studeren dan een laatste woord. Het klimaat binnen de sociaalwetenschappelijke opleidingen is voor dat 'verder studeren' momenteel niet erg gunstig: de tijd is kort en de programma's zitten vol met verplichte onderdelen die niet erg uitnodigen tot reflectie op het vak.
Toch moet het gebeuren. Sinds de affaire-Stapel is er veel onrust in de sociale wetenschappen en niet alleen binnen de sociale psychologie. Allerwegen wordt er opgeroepen tot bezinning op de gangbare onderzoeks- en publicatiepraktijken, maar de meningen over hoe het verder moet zijn verdeeld. Bij fraudegevallen gaat men, na uitdrijving van de fraudeur, het liefst zo snel mogelijk over tot de orde van de dag, maar dat lijkt in dit geval minder gemakkelijk. In mijn boek De publicatiefabriek, dat op 30 mei a.s. verschijnt, laat ik zien waardoor dat komt: de affaire-Stapel heeft enkele open zenuwen geraakt in de sociale wetenschappen.
Abonneren op:
Posts (Atom)
















