vrijdag 23 januari 2015

Zelfstandig denken

De studentenvereniging van de opleiding Algemene Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht, Versatile, stelde mij kandidaat voor de competitie 'Docent van het jaar'. De kandidaat moet een CV inleveren en zijn of haar visie op het universitair onderwijs in 2A4tjes neerpennen. Mijn visie staat hieronder.

Hedendaagse universiteiten zijn massa-universiteiten. Dat is het gevolg van bewust beleid, in Nederland al vanaf de jaren vijftig. Een samenleving met veel hoogopgeleide burgers is een welvarende en kansrijke samenleving, zo werd en wordt gedacht. Een academische opleiding is echter iets anders dan een schoolse opleiding. Wilhelm von Humboldt schreef al in 1810 dat universiteiten niet kennisoverdracht als voornaamste doel hebben, maar de vorming van de student tot onafhankelijk denker en onderzoeker.
            Dat doel, dat nog steeds beleden wordt, wringt met de realiteit van de massa-universiteit, zeker in een tijd dat de meeste universitaire opleidingen zijn teruggebracht tot een nominale vierjarige studieduur. Het doel wordt ook bemoeilijkt door de ontacademisering van het middelbaar onderwijs. Aspirant-studenten komen aan op de universiteit met een schoolse attitude, een gebrekkige algemene ontwikkeling en tekortschietende taal- en rekenvaardigheden. Hoe kun je ze dan in vier jaar tijd vormen tot onafhankelijk denker en onderzoeker?

Wetenschap als product
Dat zou vereisen dat de universiteiten bij hun studenten de overgang van kennisoverdracht naar zelfstandig denken weten te bewerkstelligen. Studenten moeten leren het schoolse denken los te laten en een vrije, onderzoekende geest aankweken, aldus Von Humboldt. Dit nu blijkt in de praktijk van het hedendaagse onderwijs niet eenvoudig te zijn. Studenten zijn spontaan geneigd wetenschap te zien als product, eerder dan als proces. De gedachte is dan: als we ons dat product – in etappes – eigen hebben gemaakt, is de opleiding – in etappes – voltooid.
            Het spiegelbeeld van deze gedachte tref je bij docenten aan. Ook zij zien spontaan het universitaire onderwijs als kennisoverdracht, en wel van docent naar student.  Het universitaire systeem werkt dat in de hand; immers, in studiegids en cursushandleiding moeten de kennisdoelen vermeld worden alsook de transportmiddelen (colleges, werkgroepen, literatuur) om die kennis over te brengen. De vorming tot onafhankelijk denker en onderzoeker vindt op zijn best een plaats in de rubriek ‘academische vaardigheden’.
            Zo blijft de paradox in stand: vorming tot onafhankelijkheid in een sterk beregelde, schoolse omgeving. Is het aloude doel zoals Von Humboldt het formuleerde eigenlijk nog wel actueel? Moeten we niet gewoon accepteren dat de universiteit een school is geworden, met als voornaamste doel het zo rationeel mogelijk voorbereiden van studenten op de arbeidsmarkt? Is de gedachte dat universiteiten intellectuelen moeten kweken die in staat zijn tot een kritische analyse en goed geformuleerde aanbevelingen, niet volkomen achterhaald?
            Daarmee zijn we aangekomen bij de eigentijdse vorm van dit dilemma: de verhouding tussen onderzoek en onderwijs. Volgens de gangbare gedachte waarborgt wetenschappelijk onderzoek de academische status van de universiteit, en daarmee vrijwel automatisch ook de kwaliteit van het onderwijs. Was het niet Von Humboldt zelf die de koppeling van onderzoek en onderwijs in het leven had geroepen? Jazeker, maar hij had daarmee iets anders op het oog dan het in één huis onderbrengen van specialistisch onderzoek (want hedendaags onderzoek is altijd specialistisch) met een sterk verschoolst universitair onderwijs.
            Zelfs als we accepteren dat het kweken van onafhankelijke denkers en onderzoekers niet meer de taak is van universiteiten zijn we nog niet uit de problemen. We hebben leren leven met een sterk ingeperkte opvatting van onderzoek: het genereren van nieuwe kennis die bijdraagt aan de verdere ontwikkeling van de wetenschap (discipline x, y, z). Die attitude wordt overgedragen op nieuwe lichtingen studenten, die echter in overgrote meerderheid niet in de wetenschap terechtkomen, maar in een maatschappelijke functie waarin niet alleen vakmatige kennis maar ook een vakgerelateerd oordeelsvermogen worden gevraagd. Dat laatste vergt, hoe men het ook wendt of keert, training in denken, afwegen en oordelen, in het bewustzijn dat de werkelijkheid complex is en voorspellen moeilijk.
            Gaandeweg hebben we ook leren leven met een  sterkte ingeperkte opvatting van onderwijs: het gaat om het overdragen van academische kennis en vaardigheden volgens een planmatig opgedeeld curriculum, waarbij het afvinken van behaalde – binnengehaalde – studiepunten voor studenten, maar ook voor docenten centraal staat. Toch gaat in beginsel zelfs van deze ingeperkte onderwijspraktijk een heilzaam effect uit op het wetenschappelijk onderzoek. Goed onderzoek hangt af van goed onderwijs, omdat het laatste dwingt tot het presenteren van specialistische resultaten in een breder conceptueel en theoretisch kader, dat op zijn beurt een kritische beoordeling van het onderzoek mogelijk maakt.

Schrijven is denken
Hoe kunnen we nu in massa-universiteiten, rekening houdend met de boven geschetste beperkingen, het onderwijs op een verstandige manier vorm geven? Dat vereist allereerst het inzicht – meer nog: het gevoel – dat goed doceren een kwestie is van vragen stellen, van luisteren, van het prikkelen van nieuwsgierigheid, van het motiveren tot studeren en denken. De docent moet daarvoor zijn habitus van verteller onderdrukken, de student die van kennisconsument. Het gaat erom vormen van activeren te vinden die passend zijn bij het verwerven van een goed academisch niveau.
            Een tweede vereiste is: genuanceerd differentiëren tussen studenten. Als docent heb je te maken met een verzameling individuen die ieder hun eigen geschiedenis, verwachtingen en capaciteiten hebben. Je hebt als taak die capaciteiten verder te helpen ontwikkelen, deels door hun prestaties te toetsen aan een voorgegeven norm, deels door ze de ruimte te geven tot exploratie en het zelfstandig formuleren van hun gedachten.
            Een beproefde manier om aan beide vereisten tegemoet te komen is het laten schrijven van wetenschappelijke essays. Naar mijn ervaring vormt dit de beste oefening voor het zelfstandig leren denken in een complexe samenleving. In die essays zijn verschillen tussen studenten – in oriëntatie, in denkwijze, in empirische onderbouwing – toegestaan en zelfs gewenst. Cruciaal is feedback op maat – rekening houdend met verschillen, niet toegevend op het punt van academisch niveau. Een beargumenteerde conclusie is meer dan ‘een mening’. Voor zowel studenten als docenten zijn dit schrijfproces en de beoordeling ervan (ook  door de student zelf!) een balanceer-act die het uiterste vergt. Oefenen in academisch schrijven is oefenen in academisch denken.
            In alle cursussen die ik door de jaren heen gegeven heb, heb ik gepoogd dit schrijfproces te stimuleren en de kwaliteit ervan te verhogen. Het is de beste manier om in een massa-omgeving zowel het persoonlijke element in de studie te honoreren als het maatschappelijke nut van afgestudeerden te bevorderen.

zaterdag 10 januari 2015

Kloof gedicht?

Leermeesters zijn belangrijk. In een column in NRC Handelsblad memoreert Coen Teulings hoe prachtig hij de colleges van hoogleraar J. Klant vond. Deze hadden betrekking op de geschiedenis van het economisch denken, maar Klant ging ook in op de grondslagen van de sociale wetenschappen, waar hij de economie kennelijk toe rekende. Hij beklemtoonde de fundamentele verschillen met de natuurwetenschappen, met als belangrijkste de tegenstelling tussen determinisme en vrije wil. Mensen kiezen zelf hun weg en dwarsbomen daardoor de ambitie van sommige economen, sociologen en psychologen om gedrag te voorspellen.

Die tijd is voorbij, aldus Teulings: de kloof tussen natuurwetenschappen en sociale wetenschappen is gedicht, ‘het gevolg van vijfendertig jaar wetenschappelijke vooruitgang’. Op dat punt aangekomen dacht ik: daar gaan we weer, Teulings gaat vast beweren dat de sociale wetenschappen tegenwoordig net zo goed kunnen voorspellen als de natuurwetenschappen, omdat ze zich meer hebben geconformeerd aan de natuurwetenschappelijke methodologie.



Maar nee, de kloof is gedicht doordat in de natuurwetenschappen steeds duidelijker is geworden dat voorspellen ook daar niet altijd goed mogelijk is, aldus Teulings. De voorbeelden die hij noemt zijn de chaostheorie, de meteorologie (de vlinder van Lorenz), de consilience van Edward Wilson, en de biologie. Deze wetenschapsgebieden zijn bij uitstek relevant voor de sociale wetenschappen, doordat ze zowel wetmatigheden als toevalligheden mee in beschouwing nemen. Het ontstaan en de verdere ontwikkeling van homo sapiens is een evolutionair en historisch proces dat zich niet liet voorspellen.


Een mooi betoog, maar Teulings had toch wat beter naar zijn leermeester moeten luisteren. Hij schrijft in zijn column: de mens is ‘niet meer dan één soort onder duizenden andere. Geen van onze eigenschappen blijkt uniek. Slechts een gelukkige combinatie ervan heeft ons (…) in staat gesteld de heerschappij over dit ondermaanse te verwerven.’ We kunnen natuurlijk twisten over wat je moet verstaan onder ‘eigenschappen’, maar mij lijkt het gegeven dat mensen kunnen lezen, schrijven en rekenen en in staat zijn wetenschappelijke kennis te verwerven, toch wel uniek.

Als we dat accepteren, stelt het bestuderen van de mens (inclusief alles wat hij heeft voortgebracht en voortbrengt) toch andere eisen dan het bestuderen van de niet-menselijke natuur. De befaamde natuurkundige Steven Weinberg schreef ooit: ‘We don’t study elementary particles because they are intrinsically interesting, like people. They are not – if you have seen one electron, you have seen them all.’





Eigenlijk beseft Teulings dat ook wel. Niet voor niets vraagt hij in zijn slotalinea naar de herkomst van ons bewustzijn, onze emoties en ons normbesef: ‘Wat is de evolutionaire rol van schoonheid en kunst?’ Het is een echo van de vragen die Teulings decennia terug door zijn leermeester Joop Klant kreeg voorgeschoteld. Dat we de antwoorden nog niet hebben is geen schande, maar ook geen reden overhaast te besluiten dat de eenheid van de wetenschappen bereikt is.

vrijdag 16 mei 2014

Lezen en schrijven

Met enige regelmaat wordt er geklaagd over het gebrek aan taalvaardigheid van studenten. Zij zondigen in hun werkstukken tegen de meest elementaire regels van de Nederlandse taal, maar ze hebben bovendien de grootste moeite om een helder en goed onderbouwd betoog te schrijven. Het is een klacht van docenten, maar ook studenten zelf worstelen ermee. Vaak geven ze te kennen dat er in hun opleiding weinig aandacht wordt besteed aan goed schrijven. Dat levert een lastig dilemma op: het is niet de taak van universiteiten om het falen van middelbare scholen te repareren, maar moet je dan mensen laten afstuderen met een grammaticaal en stilistische rammelende scriptie?

Natuurlijk niet, maar wat dan wel? Trainen, trainen, trainen, is mijn antwoord. En commentaar geven op het geschrevene. Dat kost tijd – van de studenten en van de docenten. Nemen we die tijd ervoor? Meestal niet. Inhoudelijke kennis gaat voor en in sommige wetenschapsgebieden ook methoden en statistiek. Nuttig en belangrijk allemaal, maar iedere student staat voor de taak dit alles te integreren in zijn of haar ‘body of knowledge’. Het laten schrijven van een coherent betoog kun je gebruiken als een toetssteen of opgedane kennis werkelijk is bezonken, of dat deze, naar een uitspraak van Max Scheler, ‘onverteerd in de maag rammelt’.

Mijn conclusie daaruit is: academische vorming vereist dat docenten en studenten tijd besteden aan het leren schrijven. Het gaat me daarbij niet om elementaire spel- en taalfouten; die moeten studenten zelf leren vermijden. Het gaat om stijl en coherentie. Je leert dat niet alleen door te oefenen en gecorrigeerd te worden, maar ook door zorgvuldig te lezen. Een tip die ik studenten geef is: lees je werkstuk hardop voor voordat je het inlevert. Reken maar dat je bij deze vorm van begrijpend lezen struikelt over kromme zinnen en niet afgemaakte redeneringen – en ze dus zelf kunt verbeteren.

Daarnaast beveel ik studenten aan om het werk van eminente academici uit hun vakgebied te lezen. Ik bedoel dan niet zozeer de artikelen uit internationale tijdschriften, hoewel het voor studenten die verder willen in de wetenschap geen kwaad kan om kennis te maken met de sterk geprotocolleerde vormen die daar vereist zijn. Ik doel dan op boeken die een goed academisch niveau hebben én goed geschreven zijn. Voorbeelden? Ons feilbare denken van Daniel Kahneman. Compartimenten van vernietiging van Abram de Swaan. Laat je niets wijsmaken van Jan Bransen. Dat had je gedacht! van Marc Slors. Cultuur en lichaam van Paul Voestermans en Theo Verheggen. Enzovoort.

Naast de technische kanten van het onderzoek doen zijn lezen en schrijven onmisbare bestanddelen van een volwaardige academische opleiding. Ze zijn ook maatschappelijk relevant: bij uitstek van academici wordt verwacht dat ze hun kennis en inzicht voor uiteenlopende publieken toegankelijk weten te maken. En dat gaat niet vanzelf.

NB Dit stukje is eerder verschenen op de website van de Teaching Academy Universiteit Utrecht